Ruimtelijke planning in transitie

03.05.2018

Ruimtelijke_Planning_Structuurplannen_Beleidsplannen

Het landschap van de ruimtelijke planning en het vergunningenbeleid in Vlaanderen kent een heuse transitie. De omschakeling van stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen naar omgevingsvergunningen en de digitalisering van de aanvragen is hierbij voor de burger het sterkste voelbaar. Maar het gaat veel verder dan dat. Zo trad op 1 mei 2017 een geïntegreerd planningsproces voor ruimtelijke uitvoeringsplannen, planmilieueffectrapportage, veiligheidsrapportage en andere effectbeoordelingen in werking. Deze gewijzigde RUP-procedure maakt de opmaak van een RUP en de hierbij horende effectbeoordelingen veel participatiever. Zo krijgen burgers, stakeholders, eigenaars… in de beginfase de kans om hun bekommernissen, ideeën, problemen… te delen met de gemeente/stad/provincie/gewest. Dit zorgt voor een veel bredere basis van informatie die kan worden meegenomen bij de opmaak van het RUP. Kennis, ervaringen, inzichten… die aanwezig zijn bij bewoners, gebruikers, eigenaars… die dagelijks actief zijn binnen het plangebied zijn immers vaak van een geheel andere aard dan de informatie die de overheid heeft of die kan worden verzameld door terreinbezoek en analyse van het gebied. D+A ervaart deze bijkomende procedurestap dan ook als een absolute meerwaarde om te komen tot gedragen RUP’s met het oog op een kwalitatieve woon-, werk en verblijfsomgeving. Uit onze ervaringen de afgelopen maanden hebben we wel geleerd dat deze bijkomende fase van startnota en scopingsnota tijdrovend is en de totaaltermijn voor de opmaak van een RUP aanzienlijk kan verlengen. Een kleine kritische noot die we hierbij stellen is dan ook of deze bijkomende procedurestap ook voor eenvoudige, kleine RUP’s een echte meerwaarde vormt of eerder een onnodige verzwaring van de te doorlopen procedure.

Met het decreet van 8 december 2017 werd de zogenaamde Codextrein goedgekeurd die nu gefaseerd in werking treedt. De Codextrein brengt op vele fronten wijzigingen mee voor de ruimtelijke planning en het vergunningenbeleid. Zo kan er onder specifieke voorwaarden gemakkelijker worden afgeweken van verkavelingen, kunnen RUP’s op een aantal vlakken eenvoudig gewijzigd worden maar worden ook heel specifieke elementen geregeld zoals de mogelijkheden voor tuincentra en hobbylandbouw.

Een ander zeer belangrijk gegeven is de omschakeling van de ruimtelijke structuurplannen op de diverse beleidsniveaus (Vlaams, provinciaal en gemeentelijk) naar beleidsplannen. De regeling rond de opmaak van beleidsplanning treedt eerstdaags, namelijk op 5 mei 2018 in werking. Waar de ruimtelijke structuurplannen ontaard waren in zeer allesomvattende maar daardoor eerder vage en weinig doelgerichte documenten wordt er met de beleidsplannen ingezet op het strategisch karakter van deze documenten. Een strategische visie dewelke bestaat uit strategische doelstellingen (beleidsopties op de lange termijn) wordt aangevuld met een aantal beleidskaders. Deze beleidskaders zijn gericht op de korte tot middellange termijn en kennen een operationeel karakter. Elk beleidskader kan apart worden herzien of zelfs opgeheven of nieuwe beleidskaders kunnen worden opgemaakt. Op deze manier kan de overheid flexibel optreden en inspelen op wijzigende contexten maar dit steeds met dezelfde strategische doelstellingen voor ogen.

Een laatste element in deze ruime transitie is het instrumentendecreet dat principieel werd goedgekeurd op 12 januari 2018. Dit geeft naast de beleidsplannen verder invulling aan het Vlaams regeerakkoord. Hierbij wordt ingezet op een omgevingsbeleid vanuit gebiedsgerichte realisaties in combinatie met een verbeterd instrumentarium. Met het decreet wordt er gestreefd naar een harmoniseren van instrumenten, het introduceren van nieuwe instrumenten en het optimaliseren van bestaande instrumenten. Eén element dat hier zijn oorsprong kent en reeds meermaals de media haalde is het verhogen van de planschadevergoeding wanneer bouwgrond wordt omgezet naar bv. natuur.

Het leidt dus geen twijfel dat er vanuit het wetgevend kader een transitie in het ruimtelijk beleid in gang werd gezet. D+A kijkt dan ook vol spanning uit naar hoe al deze wijzigingen zich zullen manifesteren in de praktijk en op het terrein en of de gewijzigde wetgeving effectief de juiste incentives zal geven om de vooropgestelde doelen te realiseren. Met veel enthousiasme gaat D+A dan ook verder aan de slag in deze gewijzigde context om verder te bouwen aan een omgeving op mensenmaat met respect voor onze natuurlijke omgeving.

Vragen? Ann Lambrechts helpt jou graag verder.